Fanny Lecluyse: "Vanaf nu alles op de Olympische Spelen"

Wie de laatste maanden niet op Mars heeft vertoefd, zal er wat van hebben opgevangen: zwemster Fanny Lecluyse is aan een topjaar bezig. Op het laatste WK in juli verbeterde ze maar liefst drie Belgische records, zwom ze de finale in de 200 

meter schoolslag en plaatste ze zich zowel in die categorie als in de 100 meter schoolslag voor de Olympische Spelen. Daarmee verzekert de topsportster uit Dottenijs zich nu al van een druk 2020.

Hoe heb je destijds de zwemmicrobe te pakken gekregen?
Ik heb leren zwemmen toen ik 4,5 jaar was. Het was mijn moeder die erop stond dat ik zou leren zwemmen, omdat we thuis een zwemvijver hadden en ze een heilige schrik had dat ik erin zou vallen. Maar ik zwom meteen heel graag en dat zagen ook mijn mama en mijn badmeester. Ik sloot me aan bij een zwemclub en zwom één keer per jaar een wedstrijd. De allereerste wedstrijd waar ik aan deelnam, leverde me meteen een podiumplaats op en dat was natuurlijk een goede motivatie om verder te doen. Indertijd speelde ik ook nog piano en deed aan paardrijden, maar daar ben ik rond mijn 11 à 12 jaar mee gestopt, om me volledig op het zwemmen te kunnen toeleggen.

En met resultaat! Je hebt een schitterend WK achter de rug. Hoe kijk je er op terug? 
Op het moment zelf was ik vooral ontgoocheld. Ik had echt het gevoel dat een medaille mogelijk was op de finale van de 200 meter schoolslag. Het is de discipline waar ik mij het best in voel en als je de tijden van mijn reeksen en halve finale bekijkt, kwam ik amper enkele tienden van een seconde tekort voor een podiumplaats. Maar ik zwom gewoon te traag in de finale. Achteraf hebben we alles uitgeplozen en geanalyseerd waar ik ben tekortgeschoten.”

En waar lag het probleem?
Ik was zeker niet overdreven gespannen; het waren allemaal kleine zaken die samenkwamen. Zo had ik reeds een aantal nachten niet zo goed geslapen. Maar het is een goede les geweest voor op de Spelen in Tokio.”

Je hebt je inderdaad geplaatst voor de Olympische Spelen volgend jaar in Tokio. Ik vermoed dat die prestatie veel goedgemaakt heeft?
De Spelen blijven mijn hoofddoel. Vanaf nu ligt mijn focus volledig daarop, zowel in mijn trainingen, als in de wedstrijden die ik zwem.

Het WK heeft me het vertrouwen gegeven dat ik mijn plaats waard ben en dat een podiumplaats echt wel mogelijk is. Ik blijf natuurlijk realistisch, want alle zwemsters op de Spelen zijn goed, maar ik geloof erin!

Ook je vriend, wielrenner Victor Campenaerts is overtuigd van jouw talent. Geeft zijn steun je vleugels tijdens wedstrijden?
Absoluut! Victor is iemand die sowieso heel erg bezig is met zijn sport. Van hem heb ik vooral geleerd dat het belangrijk is om je focus op de juiste momenten te leggen. Als ik een belangrijke wedstrijd zwem, weet ik dat Victor die zal meevolgen en dat motiveert me wel. Zo is hij tijdens het WK in Zuid-Korea bijvoorbeeld om 3.30 uur opgestaan om mijn finale te volgen op tv. Dat vind ik super.

En ben jij omgekeerd een even vurige supporter?
Zeker! Toen Victor in april het werelduurrecord verbrak, was ik echt nerveus in zijn plaats. Ik wist dat hij het record kon verbreken, maar ik had een enorme schrik dat iets verkeerd zou lopen. We stressen in elkaars plaats. En ook als een van ons een slechte dag heeft, zijn we er om elkaar wat moed in te spreken. Het is een voordeel dat Victor vroeger heeft gezwommen, dat zorgt ervoor dat hij zich perfect in mij kan inleven. Als ik het even moeilijk heb, begrijpt hij mij. Mede door Victor heb ik geleerd mijn voedingsschema pas zo’n twee maanden voor een belangrijke wedstrijd aan te passen en dan gaat de riem toe. Dan eet ik bijvoorbeeld geen kaas meer op mijn spaghetti, of vervang ik alle melk door water. Dan schrap ik zoveel mogelijk koolhydraten, zodat ik nog scherper sta. Maar dat kun je natuurlijk niet het ganse jaar door doen, omdat je dan vroeg of laat crasht. 

Het leven van een zwemmer is dus niet altijd gemakkelijk?
Het is vooral mentaal zwaar, omdat alles in het teken van de sport staat. Per dag ben ik zo’n zes uur bezig met trainen. Mijn dag begint dan ook al rond zes uur ’s morgens, omdat ik eerst ademhalingsoefeningen moet doen. Daarna volgen twee uur in het water, afgewisseld door krachttraining, een bezoek aan de sportpsycholoog of diëtist. Tussendoor moet mijn lichaam ook wat kunnen rusten, want om zes uur ’s avonds is het opnieuw twee uur baantjes trekken. Vorig jaar heb ik heel even het zwemmen gecombineerd met een parttime job als leerkracht, maar de combinatie werd me te zwaar. Toen heb je volledig voor een sportcarrière gekozen.

Vanwaar de ommezwaai?
Ik ben er nu 27, wat voor een sporter niet piepjong meer is. Dus wilde ik nog één jaar hard gaan om te kunnen schitteren op de Olympische Spelen, zodat ik mijn carrière nooit zou moeten beëindigen met het idee dat ik mij niet honderd procent heb ingezet voor het zwemmen.

Denk je dan al aan het leven na de zwemsport?
Gelukkig zijn er meer en meer sportsters die tot aan hun dertigste of zelfs wat langer zwemmen, wat vroeger niet het geval was. Op de Olympische Spelen zal ik er 28 zijn, vermoedelijk zal ik daarna terug de draad van mijn job als leraar opnemen. Maar zeker is het nog lang niet. Eerst dromen van een medaille in Tokio!